Verhaal Wijnaldum

header-wijnaldum

Lees hier het verhaal van Wijnaldum. U ziet dat het steeds vollediger wordt. Dit dankzij onderzoek waarbij wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen samenwerken met bewoners, ondernemers en lokale (historische) verenigingen. Ook u kunt meedoen. Samen haalt u het verhaal boven water, dat daarna wordt ingezet voor herstel, beheer en ontwikkeling in uw dorp.

Snel naar

  • Het natuurlijke landschap
  • De terpen in het dorpsgebied van Wijnaldum
  • Dijken, polders en (water)wegen
  • Wonen en werken in de Nieuwe Tijd (1500-heden)
  • Verhaal Wijnaldum

    Klik op een afbeelding om deze te vergroten.

    Wijnaldum (Fries: Winaam) is een Fries terpdorp onder de rook van Harlingen. In het dorp zelf wonen zo’n 100 inwoners. Tel je de bewoners van de bijbehorende buurten de Foarryp, de Haule en de bewoners langs de zeedijk daar bij op, dan kom je op zo’n 500 bewoners. Het dorpsgebied strekt zich uit van de Waddenzee in het westen tot net voor Getswerderzijl in het oosten. Ten noorden van de hooggelegen terpenreeks ligt een vaart (de Ried) te midden van een laaggelegen vlakte. Deze vaart vormt de noordelijke grens van het dorpsgebied. De zuidelijke grens loopt als een ritssluiting langs de akkers en weilanden van het dorp Midlum.

    wijnaldum kaartje

    Inpoldering en terpen rondom Wijnaldum

    Ten westen van de dorpskern is sprake van een regelmatige blokverkaveling. Deze jongere kleigronden zijn pas in gebruik genomen toen de kwelders hier hoog genoeg waren opgeslibd. Daarvoor woonden de mensen uitsluitend op de terpen die in een rij langs een oudere kwelderwal zijn gelegen. Akkerbouw vond plaats op de terpen en op de flanken van de kwelderwal, terwijl de lager gelegen gronden als weide en hooiland werden gebruikt.

    De ontwikkeling die het landschap rondom Wijnaldum in de afgelopen honderden jaren heeft doorgemaakt zullen aan de hand van vier thema’s worden behandend. Deze thema’s zijn als volgt omschreven:

    1. Het natuurlijke landschap
    2. De terpen in het dorpsgebied van Wijnaldum
    3. Dijken, polders en (water)wegen
    4. Wonen en werken in de Nieuwe Tijd (1500-heden)

     

    Natuurlijk landschap

    De forse deltadijk langs de Friese kust beteugelt iets wat ooit vrij spel had. Het zoute water schuimt tegen het dijklichaam, stuwt omhoog en zakt weer weg. De zee lijkt uitgespeeld, machteloos en niet in staat om ooit nog over de akkers te kruipen van de boeren die in grote boerderijen achter deze dijk wonen. Dit is het landschap anno nu: een in blokken verkaveld zeekleipolderlandschap met uitgestrekte velden vol aardappelen, uien, graan en bieten. Maar wie iets beter kijkt, kan nog de sporen ontwaren die de zee er lang geleden heeft achtergelaten.

    Een verdrinkend landschap

    verdrinkend landschap

    Diepte t.o.v. NAP

    Aan het einde van de laatste ijstijd was de zee nog ver weg. Rond 9700 voor Christus lag de zeespiegel nog zo’n 40 tot 50 meter onder het huidige niveau, op een afstand van zo’n 450 kilometer ten noorden van Wijnaldum.1 Het klimaat warmde op, waardoor de grote massa’s ijs ter hoogte van Denemarken begonnen te smelten. De diepste dalen van het toenmalige dekzandlandschap ter hoogte van het huidige dorpsgebied van Wijnaldum zijn terug te vinden op een diepte van zo’n 20 meter onder het maaiveld, terwijl de top van de pleistocene afzettingen zo’n 6 meter onder het huidige maaiveld ligt. Door de stijging van de zeespiegel werd het in de dalen natter en natter, waardoor er veen kon gaan groeien. Op de plateau’s kwam hoogveen tot ontwikkeling. Rond 7000 voor Christus waren zowel de verschillende plateau’s als de bekkens en geulen bedekt met veen (Formatie van Nieuwkoop, basisveen).2

    Vanaf 6000 voor Christus werd de invloed van de zee in het gebied merkbaar.3 De zeespiegelstijging verliep een stuk trager dan in de eerste millennia van het Holoceen, maar omdat de bodem in Noord-Nederland daalde, was er nog altijd sprake van een relatieve stijging van de zeespiegel. De kustlijn verplaatste zich steeds verder landinwaarts.4 Grote delen van het veen werden weggespoeld, terwijl op andere plaatsen het veen verdween onder een dikke laag wadzand en klei (Formatie van Naaldwijk). Rond ongeveer 2500 voor Christus had de kustlijn haar meest zuidelijke punt bereikt.5 Vanaf dat moment waren de rollen tussen zee en land omgedraaid. De zeespiegelstijging nam steeds verder af, terwijl de aanvoer van sediment gewoon doorging. Hierdoor ontstonden er in het getijdebekken zandplaten die bij voldoende opslibbing niet meer onder water raakten tijdens vloed.

    De kwelderwallen

    De invloed die de zee op het landschap heeft gehad is nog duidelijk waar te nemen. Zo zijn er bijvoorbeeld de kronkelende sloten, waarvan het grillige voorkomen verklapt dat ze in eerste instantie niet door mensenhanden zijn gegraven. Het zijn de voormalige kreken en slenken. Via deze geulen werd bij iedere vloed het zeewater opgestuwd, waardoor er telkens zand- en wadplaten overstroomd raakten. Als de zee zich tijdens eb weer terugtrok, bleven er zandige en kleiige deeltjes achter. Het land won op deze manier langzaam terrein op de zee.
    Op die plekken waar sprake was van een geringe overstromingsfrequentie en golfslag, kon zich op den duur een vegetatie gaan vestigen van voornamelijk zeekraal.6 Deze planten zorgden ervoor dat tijdens de overgang van vloed naar eb meer deeltjes achterbleven, waardoor het proces van aanslibbing werd versneld. Er vormde zich een kwelder die laag voor laag groeide en op den duur alleen nog tijdens extreem hoog water overstroomde. Telkens als dat gebeurde, werden er zandige deeltjes langs de rand van de jonge kwelder en langs de geulen afgezet. Hier vormden zich kwelderwallen en oeverwallen. De zwaardere kleideeltjes kwamen daarachter tot bezinking.

    Rond 600 voor Christus lag de grens tussen wad en kwelder in Westergo ten noorden van de lijn Harlingen-Winsum en ten Westen van de lijn Winsum-Beetgum. Er was dus sprake van een trechtervormig getijdenbekken met daarachter het oude land, dat gezien de verschillende nederzettingen uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd al rond 800 voor Christus was opgeslibd tot een bewoonbaar kweldergebied.7 Langs de lijn Winsum-Beetgum kwam een kwelder tot ontwikkeling, die rond 600 voor Christus in de pioniersfase verkeerde.
    In de eeuwen daarna werden er steeds nieuwe kwelderwallen gevormd, die van elkaar werden gescheiden door met klei opgevulde kwelderbekkens.

    600 voor chr

    Ontwikkeling kwelder en kustlijn

    De formatie van de kwelderwal waarop later de terpenreeks van Wijnaldum is ontstaan, begon rond 150 voor Christus, en stopte op het moment dat de eerste terpen werden opgeworpen (rond 175 na Christus). In 325 jaar tijd was er een rug met een hoogte van 85 centimeter ontstaan; ieder jaar groeide de kwelder gemiddeld zo’n 2,6 millimeter.8 Op een aantal plaatsen werd de kwelderwal doorsneden door geulen.

    De Waddenzee werd onstuimiger doordat het veenlandschap in de Westelijke Waddenzee was ondergelopen en de opening van de Zuiderzee werd vergroot. Daardoor trad erosie op van het Grienderwaard, wat weer tot gevolg had dat er een kwelderwal langs de huidige kustlijn werd gevormd.9 Deze afsluitende kwelderwal raakte omstreeks 500 na Christus bewoond. Hier ontstonden de terpdorpen Pietersbierum, Sexbierum, Oosterbierum, Tzummarum, Firdgum en Minnertsga. Het gehele gebied stond tot aan de bedijkingen in directe verbinding met de zee doordat er een aantal geulen dwars door de kwelderwallen sneden en tot diep landinwaarts reikten.10

    Er zijn aanwijzingen dat de geulen tussen de kweldereilanden nog tot vrij diep in de Middeleeuwen bestonden (1000 na Chr. en nog daarna).11 Via deze geulen kon slib houdend zeewater ver het land binnendringen. In de komgebieden werd kalkarme klei afgezet in een brak milieu met stilstaand of traag stromend water. Dit resulteerde in een slechte structuur van de klei (knipklei).12 Gronden met een dergelijke bodem zijn tegenwoordig enkel geschikt als grasland. De knippige gronden zijn vooral ten zuiden van de terpenreeks van Wijnaldum afgezet in de periode 250-800 na Christus.13

    Omstreeks 1200 is er op sommige plaatsen een verjongingsdek afgezet. Kloosterkronieken vertellen ons over een onstuimige periode met veel overstromingen en dijkdoorbraken, waardoor er vooral tussen de huidige zeedijk en de Hoarnestreek een zandig, licht zavelig dek is afgezet. In andere delen van het dorpsgebied heeft door de overstromingen juist erosie heeft plaatsgevonden, waardoor de knippige klei plaatselijk is opgeruimd. Daarbij zijn hier en daar ook de onderliggende oude kwelderafzettingen aangetast.14 De laagte net ten noorden van de terpenreeks is een mooi voorbeeld van zo’n erosiegebied (zoom hoogtekaart).

    De voormalige getijdegeulen

    getijdengeulen

    Hoogtekaart met getijdengeulen

    Wanneer je goed kijkt naar de hoogtekaart en naar de verkaveling van het dorpsgebied van Wijnaldum, is het mogelijk om een aantal plaatsen aan te wijzen waar vroeger geulen hebben gestroomd die in verbinding stonden met de zee. Eén van deze geulen is nog prominent aanwezig in het landschap. Het is de Ried, die even ten noorden van de terpenreeks door het landschap snijdt, en daardoor de hogere ligging van de kwelderwal met daarop de verschillende terpen benadrukt. Vroeger stond de Ried in het oosten in verbinding met de Middelzee. Via Berlikum, Ried en Dongjum stroomde het water langs de terpen van Wijnaldum. In het westen was er een verbinding met het wad. Tegenwoordig vormt de Ried nog altijd de grens tussen het dorpsgebied van Wijnaldum en de dorpsgebieden van Pietersbierum en Sexbierum.

    Het stroomgebied van de Ried is vooral op de hoogtekaart goed waarneembaar. Ook op de bodemkaart onderscheidt dit gebied zich van de omliggende gronden. De Ried werd ten oosten van Roptazijl door laatmiddeleeuwse afzettingen afgedamd, waardoor de eigenaardige kronkel net boven het dorp kan worden verklaard.15 Vermoedelijk heeft deze Riedslenk een aftakking naar het zuiden gehad, dwars door de kwelderwal tussen Tjitsma en Wijnaldum. Op de geomorfologische kaart is de aftakking zichtbaar als ondiep dal. De bodemkaart geeft hier een overwegend kalkrijke bodem van lichte klei, terwijl de omliggende gronden licht zavelig van karakter zijn. De verkaveling heeft zich hier deels op de afwijkende omstandigheden aangepast.

    De geomorfologische kaart met daarop het haakvormige dal tussen de twee meest westelijk gelegen terpen. Vermoedelijk had de Riedslenk hier vroeger een aftakking. De verkaveling (kadastrale kaart van 1832) is ter hoogte van het dal afwijkend. De bodemkaart geeft hier een knippige poldervaaggrond. Direct achter de meest oostelijke terp had de ried ook toegang tot het lagergelegen achterland.[/caption]Ten oosten van Tjitsma werd de terpenreeks vermoedelijk ook doorbroken door een geul. Dit is op de geomorfologische kaart niet terug te zien, maar de historische verkavelingen wijst hier wel op. Vooral de bocht in de Foarryp is hier opvallend. Mogelijk was de geul terplaatse te breed om over te steken, en is de weg iets naar het zuiden verlegd. Ook direct achter de terp ter hoogte van Getswerderzijl 11 is op de hoogtekaart en op de geomorfologische kaart nog goed zichtbaar dat de Ried hier in het verleden toegang had tot het lagergelegen gebied ten zuiden van de terpenreeks.

    De geomorfologische kaart met daarop het haakvormige dal tussen de twee meest westelijk gelegen terpen. Vermoedelijk had de Riedslenk hier vroeger een aftakking. De verkaveling (kadastrale kaart van 1832) is ter hoogte van het dal afwijkend. De bodemkaart geeft hier een knippige poldervaaggrond. Direct achter de meest oostelijke terp had de ried ook toegang tot het lagergelegen achterland.

    De geomorfologische kaart met daarop het haakvormige dal tussen de twee meest westelijk gelegen terpen. Vermoedelijk had de Riedslenk hier vroeger een aftakking. De verkaveling (kadastrale kaart van 1832) is ter hoogte van het dal afwijkend. De bodemkaart geeft hier een knippige poldervaaggrond. Direct achter de meest oostelijke terp had de ried ook toegang tot het lagergelegen achterland.

     

    De terpen in het dorpsgebied van Wijnaldum

    De oudste terpen (wordt nog aangevuld)

    Bewoning langs de Haule en de Hoarnestreek

    Dat het dorp Wijnaldum juist op de meest westelijke terp tot stand is gekomen, zou verklaard kunnen worden omdat aan die zijde van het dorpsgebied vruchtbare grond tot aanwas kwam. Ten noorden lag de problematische Riedvlakte en ten zuiden was de grond knippig van karakter, terwijl nog meer zuidelijk de grond al in gebruik was door de bewoners van de Midlumer terpen. Ook in het oosten viel weinig meer te halen. Daar werden de kwelders al door terpbewoners van het latere Dongjum gebruikt. De westzijde bood kansen voor uitbreiding. Al tijdens de bewoning op de oudere terpenreeks zal de jongere aanwas reeds in gebruik zijn geweest als weidegrond. De Aldhuustrelaan (nu Winamerdyk/Siverdaleane) tussen het dorp en de huidige zeedijk kwam mogelijk tot stand toen de boeren vanaf de terpenreeks de jongere aanwas gingen gebruiken als weide voor schapen en jongvee. Toen vervolgens de kwelderwal aan de westrand van deze kwelder hoog genoeg was opgeslibd, zullen de eerste mensen daar zijn gaan wonen, mogelijk op de plaats van het latere Olde Huis.
    Op de hoogtekaart is goed te zien dat de tegenwoordige Haulewei iets hoger ligt dan de omringende landen. De verkaveling wijkt hier ook af van de van oost naar west opstrekkende blokverkaveling. Op basis van deze waarneming zou je kunnen veronderstellen dat langs deze hoogte een bewoningsas tot ontwikkeling is gekomen, waarbij de bewoners vermoedelijk vanaf de al veel eerder bewoonde terpenreeks van Wijnaldum afkomstig zijn geweest. De nu nog aanwezige bebouwing bevindt zich aan weerszijden van de Haulewei, waarbij de voorkant van de huizen naar de weg is gericht.

    sporenkaartUit een archeologisch onderzoek dat in 2001 is uitgevoerd bleek dat deze as in ieder geval al in de 12de eeuw werd bewoond. Tussen Swingmastate en de Haulewei zijn restanten van twee boerderijen aangetroffen, waarvan de oudste dateert uit het einde van de twaalfde eeuw. De tweede boerderijplattegrond overlapte deels het terrein waar de oudste boerderij was gelegen, en dateert uit de dertiende eeuw. De structuren van deze boerderijen laten zich goed vergelijken met de laatste boerderijen uit Gasselte.16 De huisterp werd tot drie keer opgehoogd en is zo’n 150 (tussen 1175 en 1325) jaar bewoond geweest. Dit bleek uit de datering van kogelpotaardewerk dat in de drie ophogingslagen werd aangetroffen.17 Waarom de bewoners deze plek uiteindelijk weer hebben verlaten is niet duidelijk. Het lijkt niet aannemelijk dat ze door overstromingen gedwongen waren om hun huis te verlaten, omdat er geen overspoelingslagen in het profiel zijn aangetroffen.18

    De bewoners deden zowel aan akkerbouw als aan veeteelt, waarbij vooral runderen werden gehouden. Daarnaast werden er resten van schapen, geiten, varkens, honden, ganzen, kippen, mossels en slakken aangetroffen. Eén van de gevonden schapen- of geitenbotresten was versierd met gekerfde lijntjes.

    De Hoarnestreek of Ald Dyk ligt net als de smalle strook langs de Haulewei hoger in het landschap. Aan de landzijde van deze weg zijn of waren een aantal boerderijen te vinden, waaronder de Roptastate en het voormalige Boltastate, dat plaats moest maken voor uitbreiding van het havengebied. Uit archeologisch onderzoek bleek dat ook de Hoarnestreek ter hoogte van Boltastate al in het tweede kwart van de twaalfde eeuw werd bewoond. Na de bewoning in de (Late) Middeleeuwen is er een tweede bewoningsfase geweest in de Nieuwe Tijd (1600-1900). Uit beide periodes zijn sloten aangetroffen die dezelfde oriëntering hadden. Ook tegenwoordig is de hoofdrichting van de verkaveling noordwest-zuidoost. Dit wijst erop dat het verkavelingspatroon vanaf de bedijking tot op heden qua richting niet is gewijzigd.19

    De mensen die hier hebben gewoond hielden zich bezig met zowel akkerbouw als veeteelt. Terplekke werd gerst en vlas verbouwd en gedorst. Daarnaast verbouwde men tuinbonen, erwten, radijs en vermoedelijk ook raapzaad. Het is onduidelijk of tarwe ter plekke is verbouwd of dat het is aangevoerd. Aangetroffen botresten van zowel runderen als schapen, geiten en varkens maakt duidelijk dat het boerenbedrijf tevens gericht was op veeteelt.20

    Dijken, polders en (water)wegen

    Ondanks de voordelen die de zee bood, zoals het van tijd tot tijd afzetten van een vruchtbare laag slib over de landerijen, werden er in het kwelderlandschap vanaf de 10de eeuw dijken opgeworpen. Hierdoor onderging het terpengebied een geleidelijke metamorfose, waarbij het zoute kweldermilieu op den duur veranderde in een zoetwaterwereld met alle gevolgen voor flora en fauna van dien. Door de bedijkingen werden de getijdeprocessen in de kustgebieden sterk beïnvloed. Het zeewater kon niet meer over de kwelders uitstromen tijdens stormen, maar werd in plaats daarvan opgestuwd tegen de dijken. De maximale stormvloedhoogte nam hierdoor toe van 0,5 – 1,0 meter boven het kwelderoppervlak vóór de bedijking tot meer dan 2,5 meter boven het kwelderoppervlak na de bedijking.21 De voorwaarden voor nietsontziende stormvloedrampen werden op deze manier polder voor polder gecreëerd.

    wijnaldum kaartje

    Het grote voordeel van de bedijkingen was uiteraard dat er meer ruimte ontstond voor het boerenbedrijf. Binnen de ontstane polders ontstond een zoet milieu, waardoor de mogelijkheden voor akkerbouw toenamen. Niet alleen de hoogste delen van het landschap konden in gebruik worden genomen als akkerland, maar ook de iets lagere delen kwamen hier nu voor in aanmerking. Tijdens zware stormen hoefden de mensen en de dieren niet meer noodgedwongen hun toevlucht te zoeken op de terp.

    Door het graven van sloten verbeterde de waterhuishouding binnen de polders. Deze sloten werden haaks op de kwelderwallen gegraven voor maximale afwatering. Hierdoor is het rechthoekige verkavelingspatroon ten zuiden van de terpenreeks van Wijnaldum ontstaan. Om het overtollige water binnen de polder kwijt te kunnen raken, werden er op een aantal plaatsen eenvoudige afwateringssluizen in de dijken aangelegd: de zogenaamde zijlen. Vaak waren het pompen die met een klep konden worden afgesloten. Een van de oudste toepassingen is een duikerzijl in de vorm van een uitgeholde boom met een beweegbare klep, die vanzelf werd open gedrukt wanneer bij eb het binnenwater hoger stond dan het zeewater.22 

    De moederpolders

    De oudste dijken van Westergo ontstonden in een kwelderlandschap dat aan de noordzijde werd begrensd door de Riedslenk. De Marne vormde de zuidelijke grens. Binnen dit gebied zijn omstreeks 950 vier bedijkingseilanden ontstaan: de zogenaamde “memmepolders” of moederpolders. Samen met de polder Hartwerd-Witmarsum, de polder Oosterend en de polder Tzum-west kan de Wijnaldumerpolder tot één van de moederpolders van Westergo gerekend worden.23

    De Wijnaldumerpolder werd gevormd door zowel dijken als kwelderwallen. Direct ten zuiden van de Ried hoefde geen dijk te worden aangelegd. De hoge kwelderwal met daarop de terpen bood voldoende bescherming tegen het opgestuwde water tijdens zware stormen. Hooguit werden er enkele geulen die op een aantal plaatsen door de kwelderwal hebben gelopen afgedamd of werden lagergelegen delen van de wal nog iets opgehoogd. Vanaf de dorpsterp van Wijnaldum tot aan de terp van Midlum werd een dijk aangelegd die bescherming moest bieden tegen hoog water vanuit het westen. Het gevaar van een overstromende slenk net ten westen van deze dijk (de tegenwoordige Sexbierumer vaart) werd daardoor afgewend. Aan de verkaveling is nog enigszins te zien waar de dijk heeft gelegen. Het dijklichaam zelf is niet meer terug te vinden.

    De dijk vond aansluiting op de kwelderwal waarop de terpen van Midlum liggen. Vanaf de meest oostelijke terp van Midlum werd de polder gevormd door een dijk die al slingerend langs de Rijksweg tussen Midlum en Herbaium liep. Ter hoogte van Kiesterzijl maakte de dijk een scherpe hoek richting het noorden. Dit deel van de polderdijk is later deel gaan uitmaken van de Slachtedijk. Ter hoogte van Getswerderzijl sloot de polderdijk met een scherpe bocht naar het zuidwesten weer aan op de kwelderwal van Wijnaldum.24 Over het beheer en onderhoud van de oudste dijken is niets met zekerheid bekend. De oude Friese Wetten geven daarover geen duidelijke aanwijzingen.25

    Tussen 1050 en 1200 ontstonden grote ringdijken tussen de vier moederpolders, waardoor het grootste gedeelte van Westergo enige bescherming genoot tegen het water van buitenaf. Zo’n ringdijk betekende nog niet dat men voortaan was verlost van het binnendringende zoute water. Soms spoelde de zee tijdens een flinke storm door over dijk, waardoor alsnog een groot deel van Westergo onder water kwam te staan. Het loonde dus om de moederpolders en de ringdijk met binnendijken aan elkaar te verbinden, zodat het water tijdens een dijkdoorbraak niet vrijuit naar iedere hoek van de ringpolder kon stromen. De Slachtedijk, die net ten oosten van het dorpsgebied van Wijnaldum nog in het landschap is terug te vinden, is wel het bekendste voorbeeld van zo’n binnendijk.26

    Nadat de ringdijk en de verschillende binnendijken waren voltooid, werd een begin gemaakt met het bedijken van de brede Marneslenk. Daarnaast werd er nu ook offensief bedijkt het inpolderen van de deels dichtgeslibde zuidelijke Middelzee.

    De Hoarnestreek en de huidige zeedijk

    Met het geleidelijk aan dichtslibben van de Riedslenk werd het mogelijk om het gebied ten noordwesten hiervan in te polderen. Dat gebeurde met de aanleg van de Ald Dyk. Deze dijk (Hoarnestreek) bestaat eigenlijk voor een groot deel uit natuurlijke hoogtes die op sommige plaatsen iets zijn opgehoogd, waardoor er een aaneengesloten waterkerende hoogte van Harlingen tot aan Minnertsga tot stand kwam. Volgens verschillende boeren is er een groot verschil tussen de grond aan weerszijden van de Hoarnestreek. Aan de binnenkant is de grond zaveliger van karakter.27 De bodemkaart laat zien dat de bodem aan de buitenkant van de dijk meer kalk bevat.28 In het dorpsgebied van Wijnaldum lijkt sprake van een tussenstap te zijn geweest, gezien de hoge ligging en de afwijkende verkaveling van de percelen direct ten westen van de Haulewei.

    In verschillende historische bronnen worden de landerijen tussen de Alddyk en de tegenwoordige zeedijk aangeduid als De Kegen. Het toponiem “Kegen” verwijst naar buitendijks land. Dit gebied was bereikbaar via verschillende lanen, vaak met de naam schapenlaan, schapendijk of groene laan. Het waren dus buitendijkse kwelders die onder andere werden gebruikt voor het weiden van schapen en jongvee. In de 13de eeuw werd ook dit buitendijkse stuk land ingepolderd met de aanleg van een nieuwe dijk. Deze dijk heeft vermoedelijk nog een stukje westelijker gelegen dan de tegenwoordige dijk.29 Door afslag en overstroming zal de dijk een eindje zijn teruggelegd waardoor er land werd prijsgegeven.

    De tegenwoordige dijk werd vanaf 1500 de Vijfdeelenzeedijk genoemd. Een aantal stenen in de dijk ter hoogte van Oosterbierum vertellen ons wanneer de dijk langs de Friese noordkust in de periode 1570-1970 werd verhoogd. In ieder geval gebeurde dat in de periode 1570-1574.Toen werd de dijk met een meter opgehoogd van 2,66 meter tot 3,66 meter. Caspar De Robles nam het initiatief voor deze dijkverhoging. Daarna is de dijk nog een aantal keren verhoogd: rond 1734 tot 4,41 meter en rond 1883 tot 5,12 meter. In de jaren 30 van de twintigste eeuw moest de dijk nogmaals verhoogd worden in verband met de afsluiting van de Zuiderzee. In het kader van de Deltawetgeving is de dijk in de jaren ’70 opgehoogd tot deltahoogte.

    De Roptazijl

    Om af te kunnen wateren op zee werden er in de Vijfdeelenzeedijk op drie plaatsen zijlen aangelegd. Naast de zijl ten westen van Rodberta waren dat de Audazijl bij Liauckamastate en de Koehoolsterzijl bij het klooster Lidlum. Op dat moment werden de afwateringssloten naar de Ried zogenaamde zijlroedes. De vaarten tussen de schapendijk en de Koehoolsterzijl die voor de aanleg van de verschillende zijlen op de Ried afwaterden, verdeelden het land in vier nagenoeg gelijke stukken van ongeveer 500 oude dijksroeden lang.30 Hier lijkt dus sprake van een centraal gevoerd gezag, mogelijk op initiatief van de heer Liauckama uit Sexbierum, de heer Nyehuys uit Wijnaldum en de abt van Lidlum. De Roptavaart is vermoedelijk in de twaalfde of uiterlijk in de dertiende eeuw gegraven om de wateroverlast in de aangrenzende riedmeren te verlichten.31 Later werd de vaart de grens tussen de parochies Pietersbierum en Wijnaldum, toen ze werden afgesplitst van de parochie Sexbierum.

    Wanneer de afwateringsvaarten voor het eerst in verbinding kwamen te staan met de zee door de aanleg van de zijlen is niet precies bekend. In ieder geval weten we dat de huidige Roptavaart al vanaf 1424 afwaterde op zee. Op 14 augustus van dat jaar kwamen er in het ‘reedhues’ te Franeker de grietman en rechters van Franekeradeel en de hoofdeling Sicko te Nyehuys uit Wijnaldum bij elkaar om afspraken te maken over het onderhoud van de zijl. Er werd afgesproken dat Sicko de verplichting had om op zijn kosten de zijl altijd goed te laten functioneren en dat hij de schade door wind, water en slijtage moest herstellen. Daartegenover stond de opbrengst van de visserijpacht langs de gehele zijlroede.32 Sicko was overigens niet verantwoordelijk voor het onderhoud van de zijlroede. Het slatten van de Ried en de Roptazijlroede kwam op het conto van Franekeradeel, dat zich daardoor verzekerde van een goed onderhouden vaarroute naar zee.33 Door vererving kwam de zijl later in handen van de familie Liauckama, die de zijl in 1601 overdroeg aan de stad Harlingen. In 1884 kreeg de provincie de zijl in bezit.

    zijl

    Ontwerp tot vernieuwing Roptazijl

    De open zijl was rond 1424 van hout en had een kolk en deuren. Met een stemp (een balk) werd het opengaan of het sluiten van de zijl geregeld. Verder bestond de zijl uit een aantal beweegbare onderdelen. Met een draaispil konden de deuren handmatig worden geopend of gesloten. Aan de voet van de dijk kon de zijlroede worden overgestoken via een brug.
    In de eeuwen daarna is de zijl een aantal keren vernieuwd. Rond 1550 was er sprake van een duikerzijl met een deksel met daarbovenop de dijk. Hierdoor werd het lastiger om door de zijl naar zee te kunnen varen, maar wanneer de schepen hun masten streken was het nog steeds mogelijk om met een boot de Roptazijl te passeren. De eerste hoofden werden rond deze tijd aangelegd ter bescherming van de buitendijkse gronden achter de Roptazijl.

    In 1725 werd de Roptazijl helemaal opnieuw opgebouwd. Aannemer Rinse Wobbes nam de klus aan voor 1000 gulden. In drie maanden tijd moest hij een nieuwe stenen sluis bouwen met een lengte van 17,5 meter. In totaal heeft Rinse zo’n 500.000 Friese geeltjes door zijn handen gehad tijdens het metselwerk.

    Rond 1884 onderging de zijl opnieuw een metamorfose. Ditmaal werd er een meters dikke stenen muur in de dijk aangelegd met zes kokers van elk een meter wijd en ruim twee meter hoog, die afgesloten konden worden met twee plaatijzeren schuiven. Daarbovenop werd een sluiswachterswoning gebouwd. Vanaf dat moment was het definitief gebeurd met de scheepvaart langs de Roptazijl. De vissers langs de zeedijk moesten vanaf nu hun bootjes over de dijk slepen, iets wat de vissers uit de dorpen ten noorden van Wijnaldum al veel langer deden.

    In 1903 zijn de drie oude houten hoofden vervangen door twee stenen hoofden. Het zuiderhoofd werd verlengd tot 152 meter. Het noorderhoofd werd iets ingekort tot 58 meter. In het voorjaar van 1968 werd de zijl met daarop de karakteristieke sluiswachterswoning gesloopt. De restanten van de Roptazijl werden onder het zand van de opgehoogde Deltadijk bedolven. Voor de zijl kwam een modern gemaal in de plaats.

    Zwanen, vissen en edellieden in het nauw: de inpoldering van het Riedmeer

    Op deze foto die is genomen langs de Duitse waddenkust bij Pilsum is aan de horizon een terpdorp te zien, met op de voorgrond een drassig landschap met water en riet. Mogelijk zag de laagte ten noorden van Wijnaldum er ook ongeveer zo uit voordat men het gebied heeft ingepolderd.

    Op deze foto die is genomen langs de Duitse waddenkust bij Pilsum is aan de horizon een terpdorp te zien, met op de voorgrond een drassig landschap met water en riet. Mogelijk zag de laagte ten noorden van Wijnaldum er ook ongeveer zo uit voordat men het gebied heeft ingepolderd.

    Net ten noorden van de terpenreeks van Wijnaldum heeft een ondiep meer of moeras gelegen. Deze langgerekte laagte is ontstaan als erosiegeul, die door laatmiddeleeuwse afzettingen ten westen (Hoarnestreek) werd afgedamd. De oostgrens werd gevormd door een hoger gelegen terrein bij Getswerdersyl, waar de slachtedijk overheen is gelegd. Ten oosten hiervan zijn nog een aantal depressies net achter de doorlopende kwelderwal richting Berlikum aan te wijzen, bijvoorbeeld ten noorden van Dongjum. Het meer bij Dongjum is omstreeks 1776 voor het grootste gedeelte ingepolderd. Toponiemen als Hoppen en Visscherij, alsook twee boerderijen met de naam biezen die aan de oever van dit meer hebben gestaan, verwijzen nog naar de oude situatie.34 Het toponiem Hoppen komt overigens ook voor onder Tzummarum en Wijnaldum (Register van der Aanbreng 1511, deel III: acht pondematen meden myt die saedtwallen, die hoppen). Het woord verwijst naar een stuk opgeslibd of opgedroogd land in een inham, te midden van plassen.35

    In die drassige wereld net boven Wijnaldum kon vis worden gevangen en er werden zwanen gehouden. Het recht op het houden van zwanen werd ook wel zwanenjacht genoemd. Dit recht kwam samen met het visrecht in de Ried en het Riedmeer vanaf 1529 in handen van de familie Liauckama uit Sexbierum. Daarvoor was het in handen geweest van de familie Te Nyenhuis uit Wijnaldum. De Liauckama’s hadden een aantal bezittingen in Wijnaldum, waaronder de sate Voorryp.  De pachter van deze boerderij kreeg de verplichting om “voor eeuwig de zwanen te hoeden en te bewaken”.36 Dat “eeuwigdurende” recht is in ieder geval tot in de 18de eeuw van kracht geweest.

    hoogtekaart

    Hoogtekaart

    Wanneer men zich in Europa voor het eerst heeft beziggehouden met het houden van zwanen is niet precies te zeggen. Wel weten we dat er in één van de oudste Germaanse wetten al over deze vogels wordt gesproken. Volgens deze wetstekst stond er een straf van drie solidi of shilling voor het stelen van een gedomesticeerde kraanvogel of zwaan. Dat stond gelijk aan de straf die men kreeg voor het stelen van drie geiten.37 De vroegste verwijzing naar de zwanenjacht in een Hollandse wetstekst is terug te vinden in een stuk uit het jaar 1309, waarin wordt bepaald dat alle zwanen, wild of tam, die zich voeden in de grafelijke wateren of in openbare wateren aan de graaf toekwamen.38

    In Friesland genoten zwanen duidelijke voorrechten. Ze werden samen met kraanvogels, reigers en roerdompen gerekend tot het edele gevogelte en zodoende golden er speciale regels voor de knobbelzwaan. Zo was het bijvoorbeeld verboden om een zwaan aan een touw te zetten, te ontmerken, een zwanenei te stelen of de penveren te plukken. Als een zwanenpaar zijn jongen op andermans grond grootbracht, mochten de dieren niet worden verjaagd. Wel mocht de eigenaar van dat land een ei of een jonge zwaan meenemen. In totaal zijn er zeventien van deze geboden geformuleerd in een lijst die in 1525 door een pluimgraaf in opdracht van Karel V werd opgesteld.39

    Maar wat deed men dan met die zwanen? Datgene wat mensen uiteindelijk vaak doen met dieren: de tanden erin zetten. Worp Tjaarda, een in 1538 gestorven prior van het bij Sneek gelegen klooster Thabor zegt over de watervogels in het algemeen dat het er in het bosarme Friesland van wemelt, en dat het de schaarste aan ander wild meer dan goedmaakt. Over zwanen in het bijzonder weet hij te melden dat ze er zo overvloedig zijn, dat niet alleen de edelen en welgestelden hun vlees eten, maar ook de burgers en de landman.40 In Middeleeuwse kookboeken wordt uitleg gegeven over het bereiden van zwanennek gevuld met gekookt varkensvlees en twaalf eieren, saffraan, peper, gember, kaneel en kruidnagels, vermengd met witte wijn.41

    zwanenvlees

    Het eten van Zwanenvlees was vooral in Engeland populair

    Het eten van Zwanenvlees was vooral in Engeland populair. In een bron uit 1555 wordt verondersteld dat de zwanen in Friesland werden vetgemest en gepekeld, om vervolgens naar Engeland geëxporteerd te worden.42 Het belang van de zwaan als etenswaar moet in Friesland niet overschat worden. Adellijke families hadden de zwanen vooral voor de sier. Daarnaast konden de slagpennen van de zwaan uiteraard gebruikt worden als schrijfwaar, terwijl het dons als opvulmateriaal werd gebruikt.43

    zwanenjacht

    Diepe sloten in het Riedmeer, met aan weerszijden windmolens

    Wat men ook precies deed met de zwanen, duidelijk zal zijn dat de zwanenjacht van waarde was. De inkomsten uit de zwanenjacht van de Liauckama’s liepen terug toen verschillende grondeigenaren en grondgebruikers in 1609 diepe sloten gingen graven in het Riedmeer. Het meer was door langdurige droogte zozeer uitgedroogd dat er met kleine bootjes nog maar nauwelijks te varen was.44 Aan weerszijden van de sloten werden dijkjes opgeworpen en windmolens geplaatst. Er ontstonden kleine poldertjes die hun overtollige water voortaan met behulp van windbemaling op de Ried konden lozen. De habitat voor zwanen en vissen werd aangetast, en dus ook de inkomsten van de familie Liauckama. Jarich Liauckama eiste bij het Hof van Friesland op grond van zijn zwanen- en visrecht op de Ried de eigendom van de drooggevallen gronden. Als deze eis werd niet ingewilligd, dan moest de Riedlaagte weer onder water worden gezet. Het hof kon zich niet in deze eisen vinden omdat de Ried een openbaar water was en de inpoldering door de Gedeputeerde Staten was goedgekeurd.45

    Wegen en vaarten

    De belangrijkste plekken in het historische dorpslandschap stonden in verbinding met elkaar doormiddel van wegen en vaarten. Allereerst waren er de doorgaande wegen die Wijnaldum verbond met de gehuchten, dorpen en steden in de omgeving. Langs de hoogste delen van het landschap slingerden deze wegen van terp tot terp over de kwelderwallen richting Sexbierum, Harlingen en Franeker. Daarnaast waren er min of meer doodlopende weggetjes vanaf de doorgaande weg naar de gemeenschappelijke hooilanden en naar verschillende boerderijen. Vaak sloten deze weggetjes aan op de voetpaden; de fijnmazige sluiproutes door de velden. Tot diep in de negentiende eeuw waren al deze verbindingen over land nog onverhard. Het waren modderwegen die vooral in de winter vaak moeilijk begaanbaar waren. Veel verkeer ging tot aan de twintigste dan ook over het water via de zogenaamde opvaarten. Bijna elke boerderij in Wijnaldum had wel een gegraven verbinding met de Ried. Via deze hoofdverbinding kon je in Harlingen, Franeker en Sexbierum komen. De Roptazijlroede bood tot 1884 toegang tot de Waddenzee.

    Via deze hoofdverbinding kon je in Harlingen, Franeker en Sexbierum komen. De Roptazijlroede bood tot 1884 toegang tot de Waddenzee.

    Via deze hoofdverbinding kon je in Harlingen, Franeker en Sexbierum komen. De Roptazijlroede bood tot 1884 toegang tot de Waddenzee.

    Een aantal historische kaarten geven een indruk van het wegen- en vaartenpatroon rondom Wijnaldum. De oudste kaart waarop de deze verbindingen goed te zien zijn, is de kaart van Schotanus van de Grietenij Barradeel uit 1718. Dat de vaarverbindingen in die tijd van groot belang waren, lijkt te worden onderstreept door de kaartenmaker, aangezien de Ried en de verschillende opvaarten die hiermee in verbinding stonden meer in het oog springen dan de verschillende verbindingen over land. Op de kaart is te zien dat alle boerderijen van de Foarryp ten noorden van de weg een verbinding hadden met de Ried. Ook was er een opvaart die tot aan het dorpscentrum liep. De boerderijen aan de Haulewei vonden via verschillende opvaarten aansluiting op de Sexbierumervaart. De sate Nijenhuis stond in verbinding met de Roptazijl. De Topografisch Militaire kaart van omstreeks 1850 geeft een meer gedetailleerd beeld.

    Parallel aan de kust loopt een weg over de hogere gronden langs de boerderijen van de Hoarnestreek. Een fraai gedeelte van deze weg is gelegen tussen de Siverdaleane en de Roptavaart. De slingerende weg wordt hier aan de noordzijde begeleid door een meidoorn heg. Achter deze heg ligt een kruinig perceel akkerland. Deze subtiele hoogteverschillen zijn voor het geoefende oog langs de gehele Hoarnestreek waar te nemen.

    Iets ten oosten van deze weg houdt de Haulewei die ook iets verhoogd in het landschap ligt dezelfde richting aan. De Haulewei liep in 1718 niet verder dan de boerderij Oldehuys. Om Pietersbierum en Sexbierum te bereiken moest je via de Hoarnestreek. Pas in het midden van de 19de eeuw werd de Haulewei doorgetrokken tot aan de tegenwoordige Hearewei richting Pietersbierum. In zuidelijk richting liep de Haulewei door tot de hogere gronden van Midlum. Daar waar de Sexbierumervaart moest worden overgestoken werd een brug aangelegd, die op verschillende kaarten de “bloedige Blijnze tille” of “Bloedige Blijnze pijp”(link naar atlas: ) wordt genoemd.

    Haaks op de Hoarnestreek en de Haulewei zijn een tweetal lanen aan te wijzen, namelijk de Swingmaleane en de Siverdaleane. Dit zullen vanouds de lanen naar de buitendijkse gronden zijn geweest. Het wegennet dat op deze kwelderwal tot stand is gekomen doet vrij regelmatig aan en strekt zich uit langs de gehele Hoarnestreek. Overal langs de kust van de voormalige grietenij Barradeel komen dergelijke lanen voor die via de Hoarnestreek en een daaraan parallel lopende weg iets verder van de kust verwijderd met elkaar in verbinding staan en zodoende regelmatige blokken vormen. Dit regelmatige karakter heeft alles van doen met de onderliggende kwelderwal, en de toegang tot de voormalige buitendijkse gronden. De sloten werden haaks op de kwelderwal gegraven voor optimale afwatering. De lanen volgden de richting van de belangrijkste afwaterende sloten. Op die manier kwam de kortste verbinding tot stand vanuit de oude woonplaatsen naar de jongste kwelders. De Hoarnestreek en de daaraan parallel lopende middelweg werd aangelegd langs de hoogste punten van de kwelderwal en de laatmiddeleeuwse afzettingen. Het is goed mogelijk dat de lanen ouder zijn dan de parallel aan de kust lopende wegen.

    spoorbrug

    Restant spoorbrug ter hoogte van de Ried

    De Foarryp (Voorrijp) is een lange kronkelende weg die vanaf Getswerderzijl het verkeer langs de verschillende terpen van Wijnaldum leidt. De weg is op de kwelderwal aangelegd en ligt daardoor iets hoger in het landschap. Aan weerszijden van de Foarryp liggen de oude boerderijen en arbeiderswoningen, afgewisseld met jongere bebouwing. Een opvallende verschijning langs deze weg is het fraai gerestaureerde stationsgebouw. Toen de Noord-Friesche Locaal Spoorweg-maatschappij aan het einde van de 19de eeuw een uitgebreid spoorwegnetwerk over Friesland uitrolde, werd ook Wijnaldum vanuit Harlingen of Leeuwarden per spoor bereikbaar. Het traject liep vanaf Harlingen langs verschillende dorpen in Barradeel dwars door het Bildt via Stiens naar Leeuwarden. Ter hoogte van de Ried is nog een restant van een spoorbrug bewaard gebleven.

    Vanaf de kruising met de Terp gaat de Foarryp over in de Alde Leane (Oude Laan). Vanaf deze weg, ter hoogte van de arbeiderswoningen met de naam “het Bosch” krijg je een mooi beeld van de hoge akkers, de oude bebouwing van het buurtje “Lytse Bourren” en de dorpsterp van Wijnaldum met daarop de pastoriewoning en de kerk. Eenmaal in het dorp aanbeland buigt de Oude Laan af naar het zuiden. Tegenwoordig is het een doodlopende weg, maar vroeger liep de weg door tot aan Midlum. Vanaf de Oude Laan tot aan de Wijnaldumerweg spreekt met van de Reade Dyk. Deze “rode weg” is tegenwoordig net zo grijs als alle andere asfaltwegen. Toen men aan het einde van de 19de eeuw begon met het verharden van de vaak slecht begaanbare modderwegen, werd dit deel van de weg onderhouden door de familie Coopmans. De weg werd door hun verhard met rood puin, afkomstig van de Harlinger steenfabrieken.46 De Readyk sluit aan op de Winamerdyk (Wijnaldumerweg). Deze weg kruist de Sexbierumervaart via de Reatille en vormt als het ware de verbinding tussen het oudere cultuurlandschap en de jongere polders. Van kronkelende wegen langs terpen en akkers is geen sprake meer. Het landschap ligt er rationeel verkaveld bij, en wordt doorsneden door rechte lanen en sloten.

    Wonen en werken in de nieuwe tijd (1500-heden)

    Voor zover we na kunnen gaan was in het begin van de 16de eeuw op zijn minst 70% van de inwoners van Friesland direct bij de landbouw betrokken. Je mag dus gerust spreken van een samenleving die in sterke mate een agrarisch karakter had.47 Rond 1750 lag dat percentage al veel lager. Nog geen 50% van de bevolking vond zijn bestaan in de landbouw. Ambacht en handel vond nu niet alleen meer plaats in de steden maar kwam ook in de dorpen tot ontwikkeling. In diezelfde periode was er in de kleibouwstreek sprake van een uitbreiding van het areaal bouwland, terwijl er in de tegenwoordige weidestreken over de gehele periode van 1500 tot 1800 juist een drastische vermindering van het bouwland valt waar te nemen.48 Wat deze ontwikkelingen hebben betekend voor het landschap rondom Wijnaldum zal in het volgende duidelijk worden.

    De boerderijen

    roptaOp de Schotanuskaart van 1718 staan binnen de grenzen van het dorpsgebied van Wijnaldum meer dan twintig boerderijen afgebeeld. Op een paar boerderijen na waren de meeste boerenerven langs de Foarryp, de Haulewei en de Hoarnestreek te vinden. Van deze boerderijen nemen Oldehuis en Nyenhuis een bijzondere plek in omdat het hier gaat om oude adelsposities. Hoofdelingen raakten nogal eens verzeild in een twist met andere adellijke families waarbij geweld niet werd geschuwd. Om die reden woonden ze vaak in versterkte huizen, die in Friesland ook wel bekend staan als stinzen. De state Nyenhuis was ooit zo’n stins. In 1423 wordt Nyenhuis voor het eerst genoemd in de bronnen. “Sicke hovetlinge tot Nyenhuyse” nam in 1424 en 1438 het onderhoud van de Roptazijl op zich, en hield daar het recht op de visvangst en het recht om zwanen te houden in de Roptazijlroede en in de Ried aan over.

    wijnaldum kaartje 3Oldehuis zal, zoals de naam ook al doet vermoeden, oorspronkelijk het hoofdelingenhuis van Wijnaldum zijn geweest, maar deze functie was aan het begin van de 15de eeuw dus al overgenomen door Nyenhuis. Oldehuis had in 1718 nog een stinswier en lag strategisch aan het begin van de weg naar Wijnaldum, die rond 1546 bekend stond als de Aldhuustre laan. De dochter van bovengenoemde Sicke trouwde met Schelte Liauckama uit Sexbierum. Toen deze Tiets te Nyenhuis overleed in 1507 kwam al het bezit van de te Nyenhuizen in handen van de familie Liauckama. Rond 1700 was het de boerderij niet meer in adellijke handen.49 Andere aanzienlijke boerderijen waren Thyetthie of Tjitsma, Yngela op der Haeula of Engle, De Sate op de Voorryp, Faersma, het goed op de fennen en de Houckama prebende. Tjitsma was in 1511 in handen van Liauckama; Engle gold als onderpand voor het onderhoud van de Roptazijl en op de sate op de Voorryp lag de eeuwige plicht de zwanen in de Ried te hoeden.50

    Langs de Hoarnetreek, direct aan de Roptazijlroede lag dan nog Rodberta of Ropta. Deze boerderij was in 1511, 1546 en in 1606 in eigendom van het klooster Ludingakerke.51 In 1846 liet de familie IJssenbeek er een Engelse landschapstuin aanleggen. Het ontwerp was van de bekende tuinarchitect L.P. Roodbaard. Uit het niets creëerde hij er een landschapspark. Dat is bijzonder omdat het grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit de herinrichting van bestaande tuinen. Daarnaast is deze tuin bijzonder omdat het de enige landschapstuin is dat langs de zeedijk aan de Waddenkust is gelegen.

    tuin

    Saetlandt, fennen, greidlandt en meden

    De boeren in het dorpsgebied van Wijnaldum hadden in de 16de eeuw allemaal een gemengd boerenbedrijf.52 Dat wil zeggen dat ze zowel aan veeteelt als aan akkerbouw deden. De bouwlanden waren vooral te vinden op de hoger gelegen kwelderwallen en op de terpen. Na de bedijkingen was het namelijk niet meer noodzakelijk om de boerderijen op de terpen te bouwen. Steeds vaker werden ze iets verder van de terp afgebouwd, zodat de vruchtbare terpgrond voor het verbouwen van gewassen kon worden benut. De nieuwe boerderijen ontstonden midden in de polder. Vanwege de hogere ligging en de lichtere zavelbodems waren de kwelderwallen uitermate geschikt voor akkerbouw. Toch heeft men ook hier nog het één en ander aan grondverbetering gedaan, waarbij materiaal van de randen van de percelen naar het midden werd gebracht om zodoende de afwatering te verbeteren. Deze methode is in ieder geval nog tot in de eerste helft van de twintigste eeuw toegepast. Uit de randen van de percelen werd grond geschept en met een kruiwagen naar het midden gebracht. Door deze handelingen ontstonden de zogenaamde kruinige percelen, die op de bodemkaart staan ingetekend en op de hoogtekaart nog deels zijn waar te nemen.

    bodemkaartNaast de bouwlanden (in ieder geval 75 hectare in het dorpsgebied) hadden de boeren beschikking over grasland en hooiland. Het grasland werd in 1546 opgegeven als “fennen” of als “greidlandt”. De fenne was het stuk grasland dat direct aan het huis grensde of dichtbij de boerderij was gelegen. In totaal werd er zo’n 85 hectare als fenne of greidland opgegeven. Op basis van deze opgaven uit 1546 blijkt duidelijk dat er sprake was van een gemengd bedrijf, maar hoe de verdeling precies was is lastig na te gaan, omdat een groot deel van de opgegeven grond is opgegeven als “saetlandt en meden, saetlandt en greidlandt, meden met saetslandt” enz.

    In totaal werd er rond 1543 in ieder geval 50 hectare grond gebruikt als hooiland, waarvan er zo’n 30 hectare bijeen was gelegen op de Wijnaldumer meenschar. Deze meden lagen in een blok bijeen op een stuk laaggelegen grond in het uiterste zuidoostelijke deel van het dorpsgebied, direct ten zuiden van de tegenwoordige snelweg. Het blok was verdeeld onder 21 van de in totaal 51 grondgebruikers uit Wijnaldum en bestond in totaal uit 49 perceeltjes.53 Rond 1850 werden er al een aantal van deze percelen gebruikt als bouwland.

    Dit past in het beeld van ontmenging en specialisatie van de boerenbedrijven in de Friese kleibouwstreek. Steeds meer boeren gingen zich hoofdzakelijk bezighouden met de akkerbouw. De uitbreiding van het areaal bouwland in de kleibouwstreek heeft zich met name in de periode 1511-1748 voorgedaan. In de tweede helft van de 18de eeuw is er in Barradeel eerder sprake van een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij dan andersom. Wellicht was men in de periode daarvoor iets te ver gegaan, en is men in de periode 1750-1800 teruggekeerd naar een gezondere verhouding tussen veehouderij en akkerbouw.54

    Boeren, gardeniers en boerenarbeiders

    Vanaf de 17de eeuw waren het in toenemende mate de grote boeren die de dienst uitmaakten in Wijnaldum, terwijl de rol van de adel dan al lijkt te zijn uitgespeeld. De boerenbedrijven werden uitgebreid en de opbrengst per hectare werd door intensivering verder opgevoerd. Van Oldehuis is bekend dat het bedrijf is gegroeid van een boerderij met 17,5 hectare land in 1546 tot een bedrijf met 27 hectare land in 1700. Nyenhuis werd in diezelfde periode uitgebreid met 3,6 hectare.55 De grootste boer van Wijnaldum rond 1640 heette Joucke Juckes. Hij woonde op de Siverdastate en had in totaal 44 hectare grond in gebruik. Een goede tweede was Hans Dirks. Hij gebruikte 41 hectare op Goslingastate (Later Okkingastate) Daarna kwam Sjirk Jarichs, boer op Tjitsma-state. Hij had 37 hectare grond in gebruik.56

    Tegelijkertijd was er ook ruimte voor bedrijfjes met minder dan drie hectare grond. In een lijst met namen, beroepen en welstand van de Friese bevolking uit 1749 worden deze boeren omschreven als “gering boer” of “boer die de kost kan winnen”. Ook waren er gardeniers. Langs de Haule, ter hoogte van de Bloedige Blynser pijp lag rond 1718 een streek met de naam Gardeniers. Dit zou er op kunnen wijzen dat er in dit deel van het dorpsgebied tuinders woonden of er grond in gebruik hadden. De kadastrale kaart geeft hier, behalve het voorkomen van een aantal kleine perceeltjes verder geen aanwijzingen voor. De benodigde grond werd gehuurd van een boer of van de kerk. De kerk van Wijnaldum bezat een groot stuk aaneengelegen land tussen de Oude Laan en de zuidelijke grens van het dorpsgebied. Ook had de kerk nog een grote moestuin daar waar nu het kaatsveld ligt. De gardeniers hielden zich naast het verbouwen van aardappelen en suikerbieten bezig met de teelt van verschillende soorten groenten, vlas en fruit. Ze vervoerden hun waar per snik naar de stad om het daar op de markt te verhandelen.

    Toen er in 1949 maatregelen werden genomen tegen het optreden van aardappelmoeheid kwamen veel gardeniers in de problemen. Deze maatregelen hielden in dat op een stuk grond nog maar eens in de drie jaar aardappelen mochten worden geteeld, en dat op besmette gronden een absoluut verbod van aardappelteelt werd gelegd. Voor een boer met weinig ruimte voor vruchtwisseling vanwege de beperkte hoeveelheid grond die hij tot zijn beschikking had, betekenden deze maatregelen in de praktijk vaak het wegvallen van het belangrijkste basisproduct. Veel gardeniersbedrijfjes zijn nadien opgeheven.57

    Naast de geringe boeren en de gardeniers dienden een aantal inwoners van Wijnaldum als arbeider bij één van de grotere boeren. In 1749 werden er in totaal 16 Wijnaldumers als zodanig geregistreerd. Een boer had naast een inwonende knecht en een dienstmaagd vaak nog een uitwonende arbeider in dienst. Vooral in de kleibouwstreek waren veel mensen werkzaam als arbeider, omdat een boerenbedrijf dat zich hoofdzakelijk met akkerbouw bezighoudt nu eenmaal meer arbeid nodig is. Rond 1830 woonden er een aantal arbeiders in de kleine huisjes ten noorden van de kerk. Tegenwoordig zijn er nog een aantal arbeiderswoningen buiten de dorpskern aan te treffen. Je vindt ze langs de Foarryp en langs de Hoarnestreek. (foto’s)

    Opbouw van het dorp

    oud dorpjeVoor de laatste drie eeuwen is op basis van oude kaarten en kadastrale gegevens na te gaan hoe het dorp Wijnaldum zich ruimtelijk heeft ontwikkeld. Daarnaast zijn er uit een aantal jaren gegevens bekend over het aantal inwoners van het dorp. Op de kaart van Schotanus uit 1718 zijn een aantal gebouwen al duidelijk te herkennen, waaronder het kerkgebouw, de pastorieboerderij en het Smidshuis. Ook het groepje huisjes aan de Alde Leane is op deze kaart terug te vinden (Lutke buiren (1718) of kleine buurt). De kadastrale kaart uit 1832 geeft een gedetailleerder beeld. De meeste bebouwing is ten noorden van de kerk te vinden. Op deze kaart wordt ook duidelijk dat Lutkeburen geïsoleerd ligt van de dorpskern. Hier kon je omstreeks 1830 terecht in herberg “de Bijenkorf” voor een borrel bij kastelijn Bauke Jans van der Laan. De andere huisjes in dit buurtje waren van de kerk en diaconie.

    Wijnaldum1718-2010Het laatgotische kerkgebouw van Wijnaldum is gewijd aan Andreas, en het huidige schip is in de 15de eeuw gebouwd.58 Tot 1429 was het een eigenkerk van Ludingakerk. In het begin van de 15de eeuw had dit klooster nog het recht om een pastoor in Wijnaldum te benoemen. Daarna kwam de kerk vermoedelijk in bezit van de hoofdelingenfamilie te Nyenhuis en de boeren. De kerktoren is in 1684 ingestort en herbouwd. In 1904 stortte de toren opnieuw in. De toren werd afgebroken en volledig opnieuw opgebouwd.

    ekening van Ids Wiersma. Links staat de bakkerswoning afgebeeld. In het midden is het winkeltje te zien.

    Tekening van Ids Wiersma. Links staat de bakkerswoning afgebeeld. In het midden is het winkeltje te zien.

    Het oudste buurtje van Wijnaldum ligt net ten noorden van het kerkgebouw en de school. Aan weerszijden van een smal steegje met de naam Bloemstraat vind je een aantal huisjes. Wanneer de bebouwing hier tot stand kwam is lastig na te gaan. Wel is duidelijk dat het dorp in de zeventiende eeuw is uitgebreid. Dit blijkt uit een resolutie uit 1631, waarin toestemming werd verleend voor het timmeren van nieuwe huizen. Mogelijk betreft het hier de zuidelijke helft van de Bourren.59 In 1749 telde Wijnaldum 240 belastingbetalende inwoners, waarvan er een aantal in de middenstand werkzaam waren als schoenmaker (Auke Pyters en Yde Jacobs), snikschipper (Yme Pytters en Bauke Sjoerts) Wagenmaker (Dirk Bouwens, tevens boer) timmerman (Doeke Sjoerts), kleermaker (Eibert Gatses), turfmeetster (Hiltsje Ages), wever (Jan Jansen), bakker (Jan Oepkes) en smid (Sybren Hannes). Daarnaast woonden er in het dorp negentien boeren, zestien arbeiders, twee vissers, een dominee, een schoolmeester en een stuk of dertig ‘armlastigen’.60

    wijnaldum buurtVijf van de huisjes aan weerszijden van de Bloemstraat waren rond 1830 eigendom van de kerk en werden waarschijnlijk verhuurd aan de minder bedeelden. Daarnaast woonde er in dit buurtje een schoenmaker, een wagenmaker en een aantal arbeiders.61 De bakker had zijn bakkerij net ten oosten van het kerkhof (tegenwoordig bourren 3-5). Het huis daarnaast (bourren 7) werd bewoond door een snikschipper. Deze Ate Taekes Faber had tevens een winkeltje aan huis. Daartegenover woonde rond 1830 Jan Johannes Faber. Hij verdiende de kost als landbouwer, maar woonde in het Smidshuis. Zij vader Johannes Jans Faber zal hier rond 1830 ook gewoond hebben. Hij wordt namelijk wel genoemd als smid in Wijnaldum. Zo’n 70 jaar later was het nog altijd een Faber (Aede) die er het smidsvuur opstookte. Na de Fabers heeft Ale Veenbaas nog dertig jaar in het pand gewerkt als grof- en hoefsmid. In 1956 was het de beurt aan Jan Regeling. Toen hij door een auto-ongeluk om het leven kwam werd het bedrijf overgenomen door een zekere Miedema.62 In 1966, toen ook meneer Miedema er de brui aan gaf, kwam er een einde aan een eeuwenlange smidstraditie op de plek waar Schotanus in 1718 al melding maakte van een smidshuis.

    timmerwerkplaats

    De timmerwerkplaats van Gerrit Fokkema. (Foto: G.Koopmans)

    Omstreeks 1832 was er al sprake van bebouwing op de uiterste zuidwestelijke punt van de moestuin. Later woonden hier mensen in eenvoudige woningen aan de dorpsvaart, direct tegenover de haven. Omdat het water bij de haven niet altijd even aangenaam was qua geur, werd aan dit strookje huizen de spotnaam “Heerewaltsje” gegeven.63 In de periode 1887-1930 zijn er nog een aantal huizen gebouwd langs de westkant van de voormalige moestuin. Dit buurtje wordt tegenwoordig ook wel de schilderswijk van Wijnaldum genoemd.

    Het huis aan de Harnewei 2 werd in 1890 gebouwd en werd bewoond door schilder Johannes Leyenaar. In het rechter deel van het huis had hij een verfwinkel en een werkplaats, waar hij les gaf in verschillende technieken. Omstreek 1895 nam Johannes een schilders knecht in dienst. Deze knecht heette Ids Wiersma. Later is Ids vertrokken naar Den Haag waar hij in contact kwam met bekende schilders als Israels en Mesdag. Ids heeft in zijn leven prachtige tekeningen gemaakt van landschappen en dorpen, waarvan er een aantal ook ter illustratie in dit verhaal zijn opgenomen.

    Het perceel grasland tegenover de voormalige moestuin (tegenwoordig de Harne) raakte in 1948 bebouwd met 4x2 blokken in de stijl van de Delftse School. (Foto: G.P. Karstkarel, Collectie Fries fotoarchief)

    Het perceel grasland tegenover de voormalige moestuin (tegenwoordig de Harne) raakte in 1948 bebouwd met 4×2 blokken in de stijl van de Delftse School. (Foto: G.P. Karstkarel, Collectie Fries fotoarchief)

    oto van de haven in Wijnaldum, met op de achtergrond het ashok waarin ’s winters vlas werd gebraakt.. Foto in: A. de Vries, 1997)

    Foto van de haven in Wijnaldum, met op de achtergrond het ashok waarin ’s winters vlas werd gebraakt.. Foto in: A. de Vries, 1997)

    In het begin van de 20ste eeuw was het perceel tussen de dorpskern en Tjitsma (tegenwoordig Terp 1 en 3) reeds bebouwd. Vanaf 1936 had vrachtrijder Kuperus hier zijn bedrijf. Met een Fordje reed hij drie keer per week een vaste route langs boeren, bakkers en huishoudens om meel, kunstmest en butagasflessen af te leveren. Toen zijn auto in de oorlog door de bezetters was gevorderd, zat er niets anders op dan het paard weer van stal te halen en met paard en wagen zijn vracht te vervoeren. Op 12 mei had Kuperus het doorgaans erg druk met het rijden van vracht. Op die dag moesten veel boerenarbeiders verhuizen van de ene naar de andere boer nadat ze na één of twee jaar voor dezelfde boer hadden gewerkt.64 Naast Kuperus woonde en werkte timmerman Gerrit Fokkema (Terp 3), die in 1918 het huis met timmerwerkplaats overnam van zijn vader.

    Bewoning langs de zeedijk

    Naast de bewoning in de dorpskern (voornamelijk middenstanders, arbeiders en mensen toegewezen op de hulp van de kerk) en de boerderijen langs de Foarryp, de Haule en de Hoarnestreek werd er ook langs de zeedijk gewoond. Het waren veelal kleine huisjes waar arbeiders en vissers in woonden. Een aantal van deze huisjes waren in het bezit van de kerk. Ook stonden er een aantal boerderijtjes. De doorgaande weg heeft tot aan de 20ste eeuw over de kruin van de dijk gelopen. Aan de voet van de dijk liep een voetpad waaraan de huizen waren gelegen, met daarachter de dijksvaart. Ook aan de andere kant van deze vaart stonden huizen, die via een hooghout bereikt konden worden. Zo ook de voormalige kop-hals-rompboerderij Zeeburg met daarachter een huis met de naam Wielewaai. Deze naam is ontleend aan een stuk land waar zich door een dijkdoorbraak in de 16de eeuw of nog eerder een wiel (een diepe plas) had gevormd.65

    wielewaai 2 wielewaai 1

     

    Op beide foto’s zijn de huizen Zeeburg en Wielewaai te zien. Door deze foto’s naast elkaar te leggen wordt duidelijk hoe ingrijpend deze streek is veranderd, nadat men tussen 1975 en 1978 hier de dijken heeft verhoogd.

    barradeel 1 barradeel 2

    Op een drietal plaatsen langs de kust van Barradeel waren vroeger zogenaamde dranksteden te vinden. Dit waren vijvers of dobbes waaruit het vee kon drinken, en waarin paarden en wagens konden worden gewassen. Eén van deze dranksteden lag bij Wijnaldum aan de zeedijk. De vloer van de dobbe bestond uit stenen, en het geheel was omgeven met een hek. (foto’s www.oudtzummarum.nl)

    Naoorlogse ontwikkelingen

    Wanneer je de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart van 2010 naast elkaar legt, wordt in één oogopslag duidelijk dat er in 180 jaar tijd veel in het landschap is veranderd. Veel van die veranderingen vonden plaats tussen 1975 en 1978, toen ruilverkaveling “de Bjirmen” werd uitgevoerd. Allereerst valt op dat sinds 1850 veel percelen bijeen zijn gevoegd, waarbij veel sloten zijn gedempt. Dit is ten koste gegaan van het kleinschalige karakter van het landschap, maar betekende voor de agrarische sector een grote vooruitgang. Ook na de ruilverkaveling heeft deze ontwikkeling zich verder doorgezet. Door dergelijke ingrepen zijn ook veel van de kruinige percelen uit het landschap verdwenen, waardoor het microreliëf dat voor Barradeel lange tijd zo kenmerkend is geweest op een aantal plaatsen is uitgewist.

    Door de aanleg van de A31 werd het zuidoostelijke deel van het dorpsgebied afgesneden, waardoor de eenheid tussen de Miedwei en het blok waar de daadwerkelijke hooilanden vroeger hebben gelegen verloren is gegaan. Het grootste verschil tussen de topografische kaart uit 1982 en de kaart uit 2010 is dat er op de laatste kaart veel meer bos staat gekarteerd. Deze ruilverkavelingsbosjes stonden al ingetekend op de plankaarten van de ruilverkaveling, en zullen als laatste onderdeel van dit project zijn uitgevoerd. In totaal is er zo’n vijf hectare grond langs de Foarryp en ten oosten van het dorp (achter de ijsbaan) omgezet in bos.

    Wijnaldumd1850

     

     

    Verder lezen

    Het natuurlijke landschap.
    BESTEMAN, J.C. (1999). The excavations at Wijnaldum. : reports on Frisia in Roman and Medieval times. Rotterdam.
    BRINKKEMPER, O. (2009). De Mieden. Een landschap in de Noordelijke Friese Wouden. Utrecht.
    DIJKSTRA, W. (1955). Barradeel. Rapport betreffende het onderzoek van het lânskip-genetysk Wurkforbân fan de Fryske Akademy. Drachten.
    GOTTSCHALK, M.K. (1971). Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland I. Assen.
    Kreger, H.M. (1993). De geschiedenis van Franeker en omgeving (Leeuwarden).
    KUYER, P.C. (1961). De bodemgesteldheid en de tuinbouwkundige mogelijkheden in het gebied Oosterbierum- Minnertsga (gemeente Barradeel). Wageningen.
    LAMBOOIJ, H. Th. M. (2008). Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken van de Friese premonstratenzerkloosters Lidlum en Mariëngaarde. Een nadere studie, editie en vertaling. Leiden.
    STIBOKA, 1976. Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:50.000. Blad 5 West Harlingen, Blad 5 Oost Harlingen, Stichting voor Bodemkartering. Wageningen.
    VOS, P.C. & D. GERRETS (2005). Archaeology: a major tool in the reconstruction of the coastal evolution of Westergo (northern Netherlands). In: Quaternary International 133-134, pp. 61-75.
    VOS, P.C. & W. VAN KESTEREN (2000). The long-term evolution of intertidal mudflats in the northern Netherlands during the Holocene; natural and anthropogenic processes. In: Continental shelf Research 20, pp. 1687-1710.
    VOS, P.C. & E. KNOL (2005). Wierden ontstaan in een dynamisch landschap. In: Knol, E., A.C. Bardet & W. Prummel.
    VOS, P.C. & G.J. DE LANGEN (2008). Landschapsgeschiedenis van Noordwest-Friesland in kaartbeelden. In: K. Huisman et al.(red.), Diggelgoud. 5 jaar Argeologysk Wurkferbân: archeologisch onderzoek in Fryslân, 310-323. Leeuwarden.

    De terpen in het dorpsgebied van Wijnaldum
    Bakker, A.M., S.J. Tuinstra. (2001). Een twaalfde tot veertiende eeuwse huisterp in het uitbreidingsplan van de Harlinger Haven, gemeente Harlingen (Fr.) Groningen.
    Hielkema, J.B. (2002). Archeologisch onderzoek bij de Boltastate in Harlingen, provincie Friesland. Groningen.

    Dijken, polders en (water)wegen
    DRAAISMA, K. (2010). Geschiedenis van Roptazijl. Leeuwarden.
    DIJKSTRA, W. (1955). Barradeel. Rapport betreffende het onderzoek van het lânskip-genetysk Wurkforbân fan de Fryske Akademy. Drachten.
    NOOMEN, P.N. (1994). Consolidatie van familiebezit en status in laat-middeleeuws Friesland. In: Zorgen voor zekerheid, J.A. Mol. Leeuwarden.
    RIENKS en Walther. (1954). Binnendiken en slieperdiken yn Fryslan. Bolsward.
    SCHROOR, M. (2000). Van Middelzee tot Bildt. Landaanwinning in Fryslân in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Almere.
    STEENSMA. (1836). Oudheidkundige aanteekeningen van de dorpen en kloosters der grietenij Barradeel. Franeker.
    DE VRIES, T.G. (1959). It boek fan de swan. Swannejacht en swannemerken yn Fryslan. Drachten.

    Wonen en werken in de Nieuwe Tijd (1500-heden)
    J.A. FABER. (1972). Drie eeuwen Friesland. Economische en sociale ontwikkelingen van 1500 tot 1800. Wageningen.
    KARSTKAREL, P. (2007). Alle middeleeuwse kerken: van Harlingen tot Wilhemshaven. Groningen.
    NOOMEN, P.N. (1994). Consolidatie van familiebezit en status in laat-middeleeuws Friesland. In: Zorgen voor zekerheid, J.A. Mol. Leeuwarden.
    POSTMA, O. (1955). Oer de pleatsen yn Barradiel. In: Barradeel. Rapport betreffende het onderzoek van het Lânskip-genetysk Wurkforbân fan de Fryske Akademy. Drachten.
    SPAHR VAN DER HOEK, J.J. (1952). Geschiedenis van de Friese landbouw. Drachten.
    VAN VEEN, S. (1959). Het gardeniersprobleem in de kleibouwstreek van Friesland. Wageningen.
    De VRIES, A. (1997). Wijnaldum. Fibula, dwarsbongel, keatsebâl. Harlingen.

    1 Brinkkemper 2009, 37.
    2 Dijkstra 1955, 18.
    3 Vos 2000, 1700.
    4 Vos & Knol 2005, 120.
    5 Vos & Gerrets 2005, 62.
    6 www.natuurkennis.nl
    7 Vos & Gerrets 2005, 69.
    8 Vos 1999, 57.
    9 Besteman et al. 1999, 63.
    10 Besteman et al. 1999, 64.
    11 Dijkstra 1955, 32.
    12 Stiboka 1976, 45.
    13 Stiboka 1970, 10.
    14 Stiboka 1970, 10.
    15 Dijkstra 1955, 33.

    16 Bakker en Tuinstra 2001, 20.
    17 Bakker en Tuinstra 2001, 18.
    18 Bakker en Tuinstra 2001, 39.
    19 Hielkema 2002, 28.
    20 Hielkema 2002, 26-28.

    21 Vos 2006, 10.
    22 Draaisma 2010.
    23 Rienks, Walther 1954, 211.
    24 Rienks, Walther 1954, 219.
    25 Rienks, Walter 1954, 210.
    26 Schroor 2000, 37.
    27 Rienks, Walther 1954, 192.
    28 Stiboka 1976.
    29 Draaisma 2010, 11.
    30 Draaisma 2010, 18.
    31 Noomen 155.
    32 Draaisma 2010, 27.
    33 Draaisma 2010, 28.
    34 Steensma 1836, 35-36.
    35 Fryske Plaknammen I, 1949, 43-44.
    36 Noomen 1994, 135.
    37 De Vries 1959, 9.
    38 De Vries 1959, 14.
    39 De Vries 1959, 17.
    40 Halbertsma 1956, 91.
    41 Jansen-Sieben & van Winter 1989, 120; Wel ende edelike spijse 1.12
    42 De Vries 1959, 13.
    43 De Vries, 21.
    44 Noomen 1994, 136.
    45 Noomen 1994, 36.
    46 www.oudtzummarum.nl

    47 Faber 1972 I, 123.
    48 Faber 1972 I, 200.
    49 Noomen 2009, 337.
    50 Noomen 2009, 338.
    51 Noomen 1994, 165.
    52 Uitdeeling van de zeedijken van de buitendijksters der vjif deelen 1546.
    53 Postma, in: Barradeel 1955, 166.
    54 Faber 1972, 206.
    55 Postma, in: Barradeel 1955. 167-168.
    56 Hisgis, stemkohieren.
    57 Van Veen 1959, 14.
    58 Karstkarel 2007, 318.
    59 De Vries 1997, 40.
    60 De Vries 1997, 40.
    61 Hisgis kadaster 1832.
    62 Maartje Post, Archeologisch Steunpunt Wijnaldum.
    63 www.oudtzummarum.nl
    64 Maartje Post, Archeologisch Steunpunt Wijnaldum.
    65 www.oudtzummarum.nl

    Ontdek historisch Wijnaldum
    wijnaldum

    Terpdorpen in Friesland

    Hallum
    Firdgum
    Wijnaldum

    Wierdedorpen in Groningen

    Ulrum
    Godlinze
    Warffum

    Aanpak in Wijnaldum

    Ieder terp- en wierdedorp heeft zijn eigen verhaal. Bewoners, lokale (historische) verenigingen, ondernemers en wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen halen dat verhaal gezamenlijk boven water. Om uiteindelijk te bepalen wat er nodig is om de karakteristieke elementen en structuren op een verantwoorde en duurzame manier te herstellen, te beheren en/of te ontwikkelen.

    In Wijnaldum ging het project van start op 1 december 2014.


    Meer over dorpsaanpak >